Controlerende instanties

Gebouwbeheerders hebben te maken met steeds meer wet- en regelgeving die ook nog eens steeds complexer wordt. Is het allemaal nog wel bij te houden?

Controlerende instanties

De arbo- en milieuregelgeving is erop gericht ongevallen en calamiteiten te voorkomen. Om aansprakelijkheid bij onverhoopte ongevallen en calamiteiten te kunnen voorkomen, hoeft de gebouwbeheerder niet de letterlijke inhoud van elke norm te kennen. Het is wel van belang aan te kunnen tonen dat er wordt voldaan aan de wet. De gebouwbeheerder moet inzichtelijk kunnen maken dat de processen ten aanzien van regelgeving op deugdelijke wijze zijn georganiseerd.

De overheid heeft haar controles op het naleven van de regelgeving onderverdeeld in drie aandachtsgebieden:

  1. Brandveiligheid en ontruiming: controle naleving regelgeving door brandweer/gemeente;
  2. Veiligheid werkomgeving: controle naleving regelgeving door arbeidsinspectie;
  3. Milieu-aspecten: controle naleving regelgeving door gemeente.

De uitgangspunten voor brandveiligheid en ontruiming zijn meestal vastgelegd in de gebruiksvergunning. De brandweer voorziet in de controle op naleving van de, in de vergunning vermelde, aspecten. Lastig hierbij is echter dat er ruimte is voor interpretatie van de regelgeving, dit betekent dat de inhoud van en controle op de gebruiksvergunning per gemeente kan verschillen. Veel gebouwbeheerders met objecten in meerdere regio’s ervaren  deze interpretatieverschillen van de verschillende brandweerkorpsen als lastig.

Het ministerie van VROM heeft dit probleem onderkend en heeft door het ‘Gebruiksbesluit Brandveilige Bouwwerken’ de brandveiligheidseisen voor alle gemeentes gelijk gesteld. In tegenstelling tot de controle op de gebruiksvergunning vinden controles op de veilige werkomgeving niet preventief plaats. Pas als er zich een ongeval of calamiteit heeft voorgedaan zal de arbeidsinspectie controleren of de regels zijn nageleefd. In de praktijk komt het vaak voor dat er wordt voldaan  aan de benodigde vergunningen en ook wettelijk verplichte keuringen laat uitvoeren, maar minder aandacht schenkt aan organisatorische veiligheidsaspecten.

Een voorbeeld hiervan is het inrichten van de organisatie voor het veilig beheren van elektrotechnische installaties. Vanuit de NEN 3140 wordt omschreven dat organisaties een Installatie Verantwoordelijke moeten aanstellen. Deze medewerker is onder andere verantwoordelijk voor het opstellen van een risico inventarisatie (RI&E),  schriftelijke bevoegdheden aan medewerkers toewijzen,  het onderhoud en het organiseren van inspecties.

Indien deze functie niet is ingericht, blijft de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk bij ongevallen. Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen,  dus ook de Arbowet, zowel de bestuurder als de gebouwbeheerder kunnen zich hier niet achter verschuilen. De controle op naleving van gebouwgebonden milieuaspecten valt onder verantwoordelijkheid van de milieu/vastgoed handhavingsdiensten van gemeenten. Op basis van Steekproefsgewijs wordt gecontroleerd of de verplichte keuringen en inspecties van de stookinstallaties en koelmachines zijn uitgevoerd en of de logboeken correct zijn ingevuld.